Die afgelopen jaren van mantelzorgen hebben er toch wel stevig ingehakt. Ik merk het aan mijn reactie op prachtige, nieuwe buurtinitiatieven. Neem nou die voorzorgcirkel die hier wordt opgericht, gefinancierd uit de Gemeentepot. Een groep mensen die ervoor wil zorgen dat buurtgenoten die eenzaam zijn, slecht ter been of simpelweg wat ondersteuning kunnen gebruiken, gehoord en geholpen worden.
Het idee is eigenlijk heel mooi. Een voorzorgcirkel is er niet alleen als het misgaat, maar juist ook om te voorkomen dat mensen in een isolement terechtkomen. Voor de één is een luisterend oor en een kop koffie al voldoende om de dag kleur te geven. Voor de ander is een uitstapje naar de film, een museumbezoek of samen een wandeling maken veel waardevoller.
En hoe sympathiek ik het initiatief ook vind: ik was uitgenodigd en mijn eerste reactie was niet bepaald: “Wat geweldig, waar kan ik me aanmelden?” Nee. Mijn innerlijke stem riep iets in de trant van: rennen, Irene, rennen!
Blijkbaar heb ik na al die jaren mantelzorg een lichte allergie ontwikkeld voor alles wat ruikt naar rollators, medische afspraken en zorgschema’s. Bij de woorden “oud”, “ziek” en “hulpbehoevend” voel ik een onverklaarbare drang om spontaan een citytrip te boeken. Liefst naar een plek waar niemand ooit het woord steunkous gebruikt.
Dat voelt behoorlijk egocentrisch. Want het ís een prachtig initiatief. Mensen die iets voor elkaar willen betekenen, zonder oordeel en zonder ingewikkelde regels. Gewoon menselijkheid in de praktijk.
Bovendien ben ik niet achterlijk. Ik weet heus dat ik zelf ooit ook oud, ziek of hulpbehoevend kan worden. Misschien zit ik over twintig jaar dolblij te wachten tot iemand met mij koffie wil drinken of me meeneemt naar een tentoonstelling over vergeten Nederlandse ontwerpers.
Maar voorlopig verlang ik vooral naar vrolijkheid, gezelligheid en mensen met toekomstplannen die verder reiken dan hun volgende bloeddrukmeting.
En misschien is dat wel de conclusie: ik ben best bereid om later geholpen te worden. Alleen hoop ik dat “later” nog zo lang duurt, dat ik tegen die tijd eerst mijn leesbril moet zoeken om terug te vinden waar ik deze voorzorgcirkel ook alweer had opgeborgen.
Ik kan met het heel goed voorstellen Irene. Nu nog niet! Ik sta ook nog met twee benen in het leven net als jij. Maar ooit komt die dag en dan hoop ik natuurlijk dat er voor mij ook voorzieningen en vrijwilligers zijn.