Ik ben officieel veranderd in een softijsje

Ik smelt. Sterker nog: ik ben hard onderweg om volledig te veranderen in een plasje mens. Mijn brein lijkt bij deze temperaturen ook niet meer helemaal mee te willen werken.

Gedachten komen binnen alsof ze eerst uitgebreid toestemming moeten vragen aan de zon. Het enige waar mijn hoofd nog ruimte voor heeft, zijn ijsjes. Of een verkoelend briesje. Eentje dat niet vriendelijk langs mijn gezicht strijkt, maar zich gedraagt als een orkaan die me inclusief tuinstoel een paar straten verderop neerzet.

Normaal gesproken functioneer ik best aardig. Ik onthoud dingen, maak lijstjes, voer gesprekken en weet meestal nog waarom ik naar de keuken ben gelopen. Maar zodra de thermometer besluit dat dertig graden een leuk uitgangspunt is, verandert mijn IQ spontaan in de buitentemperatuur. Ik open de koelkast, staar vijf minuten naar binnen en sluit hem weer zonder enig idee waarom ik hem eigenlijk geopend had.

Het enige dat ik nog met volle overtuiging kan doen, is klagen over de warmte. En zweten. Vooral dat laatste blijkt een verborgen talent.

Toch heb ik nog meer medelijden met mijn huisdieren dan met mezelf. Mijn kat en hond liggen er allebei bij alsof ze auditie doen voor een documentaire over uitgedroogde woestijndieren. Ze verplaatsen zich alleen nog als ergens een minuscuul zuchtje wind ontstaat. Een tegelvloer? Prima. Onder een stoel? Nog beter. Pal voor een kier onder de deur? Jackpot.

Met hun permanente bontjas aan zou ik ook geen zin meer hebben om iets te ondernemen. Ik klaag al met een T-shirt en korte broek aan. Zij lopen er doodleuk bij alsof het hartje winter is.

Mijn hond heeft inmiddels een nieuw zomerritueel ontwikkeld. Zodra ik richting de koelkast loop, schiet ze overeind alsof ze zojuist het woord “wandelen” heeft gehoord. Maar nee, wandelen? Daar begint ze zelf niet eens meer aan. Ze weet namelijk precies wat er gaat gebeuren.

Waterijs.

Voorzichtig geef ik haar steeds een klein stukje. Niet te veel tegelijk, want anders bevriest haar tong nog aan het stokje. Haar ogen beginnen direct te glimmen. Ze neemt elk hapje met de grootst mogelijke toewijding aan, alsof ze net een sterrenmenu voorgeschoteld krijgt. Ik durf bijna te beweren dat ze de vriezer inmiddels beter in de gaten houdt dan ik.

Mijn kat kijkt ondertussen met een blik van: “Leuk voor haar. Waar blijft mijn airconditioning?”

Ik moet toegeven: de dieren hebben het slim bekeken. Ze verspillen geen energie aan onnodige zaken. Geen huishoudelijke klusjes, geen boodschappen, geen ingewikkelde gesprekken. Gewoon liggen. Af en toe zuchten. En wachten tot de zon eindelijk besluit ergens anders mensen lastig te vallen.

Misschien zijn wij mensen veel te ingewikkeld. We proberen tijdens een hittegolf gewoon door te werken, afspraken na te komen en productief te blijven, terwijl elk vezeltje in ons lichaam eigenlijk schreeuwt: “Ga onder een boom liggen en doe voorlopig even helemaal niets.”

Conclusie

Misschien moet ik mijn hond gewoon promoveren tot mijn persoonlijke zomercoach. Haar strategie is namelijk verrassend effectief: slaap twintig uur per dag, verhuis alleen voor een ijsje en kijk iedereen verwijtend aan die ook maar het woord stofzuigen durft uit te spreken.

Eerlijk gezegd klinkt dat als het meest doordachte hitteplan dat ik deze zomer ben tegengekomen.