Het is een vraag die me al verrassend lang bezighoudt. Als kind stond ik regelmatig midden op een grasveld, omringd door vriendjes en vriendinnetjes die fanatiek verstoppertje of tikkertje speelden. Terwijl zij volledig opgingen in het spel, keek ik om me heen en dacht: is dit het nu? Niet op een dramatische manier, alsof ik op mijn achtste al een existentiële crisis had. Nee, meer uit oprechte nieuwsgierigheid. Was dit waar iedereen zo enthousiast over was? Had ik iets gemist?
Fast forward een jaar of vijftig en die vraag steekt weer steeds vaker de kop op. Misschien komt het door mijn wat introverte aard. Misschien omdat ik sommige dingen gewoon totaal niet interessant vind. Of misschien ben ik simpelweg geboren zonder het gen dat mensen massaal enthousiast maakt over zaken waarvan ik alleen maar denk: waarom eigenlijk?
Neem nou voetbal.
Tweeëntwintig volwassen mannen rennen negentig minuten lang achter één bal aan. Eén bal. Met z’n tweeëntwintigen. Dat is logistiek gezien al een vreemde keuze. Ze proberen dat ding vervolgens, gehinderd door een verzameling tactieken die verdacht veel weghebben van gecontroleerd struikelen, in een doel te schoppen. Ondertussen wordt er getackeld, geduwd, gevallen en met de armen gezwaaid alsof iedereen net een zwerm wespen heeft ontdekt.
En het publiek? Dat gaat volledig uit zijn dak zodra de bal eindelijk een keer tussen twee palen verdwijnt. Alsof de mensheid zojuist een geneesmiddel tegen de verkoudheid heeft gevonden. Er worden vreemden omhelsd, bier vliegt door de lucht en iemand verliest steevast zijn stem door negentig minuten lang tegen een scheidsrechter te schreeuwen die hem onmogelijk kan horen.
Ik kijk daar dan naar en denk: is dit het nu?
Hetzelfde heb ik met sommige televisieprogramma’s. Mensen die elkaar uitschelden omdat iemand per ongeluk de verkeerde lepel heeft gebruikt. Of kandidaten die huilend instorten omdat hun soufflé drie millimeter is ingezakt. Ik heb diep respect voor een goede soufflé, begrijp me niet verkeerd, maar het blijft uiteindelijk opgeklopt ei. Er zijn ergere dingen.
Misschien ben ik gewoon niet zo gevoelig voor groepsenthousiasme. Waar anderen moeiteloos meegaan in de euforie, sta ik meestal aan de zijlijn met een kop koffie en de vraag waarom niemand gewoon lekker naar huis gaat.
Dat betekent overigens niet dat ik nergens van geniet. Integendeel. Ik kan enorm blij worden van een goed boek, een wandeling zonder haast, een onverwacht grappig gesprek of een kop koffie die precies goed is. Dat zijn misschien geen gebeurtenissen waar een stadion voor volloopt, maar ze maken mijn dag vaak meer goed dan een bekerfinale ooit zou kunnen.
Misschien is dat wel het mooie van ouder worden. Je hoeft niet meer overal enthousiast over te zijn omdat de rest dat ook is. Je mag gerust toegeven dat bepaalde dingen je compleet koud laten. Dat scheelt bovendien een hoop energie én de aanschaf van een oranje pruik.
Dus ja, soms vraag ik me nog steeds af: is dit het nu?
Maar tegenwoordig weet ik dat het antwoord niet zo belangrijk is. Misschien is dit het wel. En misschien zit de kunst er juist in om tussen alle drukte, hypes en collectieve gekte je eigen versie van “dit” te vinden.
Al blijf ik erbij dat ze bij voetbal best eens een tweede bal zouden kunnen proberen. Dat zou tenminste nog verrassend zijn.