“Niet alle mannen zijn zo.”
Er is altijd wel iemand die dat zegt. Soms hardop, soms tussen de regels door, maar het komt altijd langs zodra je ook maar voorzichtig suggereert dat je een bepaald patroon begint te herkennen. En eerlijk is eerlijk: ze hebben gelijk. Natuurlijk zijn niet alle mannen zo. Statistisch gezien moet er ergens een verdwaald exemplaar rondlopen dat gewoon normaal reageert op een aardige vrouw zonder direct in een mentale spagaat te schieten.
Alleen… waar zitten die dan?
Want wat ik de laatste jaren vooral tegenkom, is een merkwaardig fenomeen: zodra je vriendelijk bent—niet flirterig, niet opdringerig, gewoon vriendelijk—lijkt er een soort intern alarmsysteem af te gaan. Alsof er ergens diep vanbinnen een sirene loeit: let op, dit betekent iets! Waarop ze óf in de verdediging schieten, óf zich ineens belangrijker gaan gedragen dan de situatie rechtvaardigt.
En dan sta je daar. Met je glimlach. Je normale vraag. Je oprechte interesse in iets simpels als: “Hoe was je weekend?” En aan de overkant zie je het gebeuren. De blik die net een fractie verandert. De houding die iets stijver wordt. Het subtiele terugtrekken, of juist het tegenovergestelde: een soort opgeblazen zelfverzekerdheid, alsof je zojuist een auditie hebt geopend waar zij per ongeluk de hoofdrol in denken te hebben.
Het is fascinerend.
En ergens ook een beetje vermoeiend.
Want het zet je aan het denken. Moet ik dan minder vriendelijk zijn? Moet ik eerst een soort disclaimer afgeven? Iets in de trant van: “Let op: deze vriendelijkheid is volledig vrijblijvend en er zijn geen romantische verwachtingen aan verbonden.” Misschien in drievoud ondertekend, voor de zekerheid.
Of is het gewoon dat we het verleerd zijn? Dat oprechte, ongecompliceerde vriendelijkheid zo zeldzaam is geworden dat het automatisch verdacht voelt? Dat alles meteen in een hokje moet: interesse, geen interesse, potentieel, afwijzing. Alsof er geen midden meer bestaat waarin twee mensen gewoon even prettig contact hebben zonder dat er een toekomstvisie aan vast hoeft te hangen.
En misschien—heel misschien—ligt het ook een beetje aan mij.
Niet dat ik iets geks doe. Integendeel. Misschien is het juist dat. Dat ik niet meer speel volgens de oude regels. Niet meer subtiel aan het peilen ben, niet meer bezig ben met hoe iets overkomt. Gewoon… mezelf. Aardig, open, zonder verborgen agenda.
Blijkbaar is dat verwarrender dan gedacht.
Maar goed. Ik ga er geen handleiding bij schrijven. Geen gebruiksaanwijzing uitdelen bij mijn persoonlijkheid. Daar ben ik simpelweg te lui voor geworden. En te oud, waarschijnlijk ook.
Dus mocht je ooit een vrouw tegenkomen die gewoon aardig is, zonder bijbedoelingen, zonder plannen, zonder dat ze al drie stappen vooruit denkt—raak dan niet in paniek. Er hoeft niets. Echt niet.
En zo wel… dan hoor je het vanzelf.
Of niet.
Maar eerlijk? De kans is groter van niet.
En dat is misschien maar beter ook.
Scheelt iedereen een hoop geklim in bomen waar je uiteindelijk toch weer zelf uit moet zien te komen.

Hoi... Ik ben Irene, bouwjaar 1967, en een gedreven schrijfster sinds 2002. Ik schrijf essays, columns en artikelen. Heb reeds een chicklit geschreven, ben werkzaam in de ICT en, tja, word thuis meestal wel herconditioneerd door mijn feline vriendje Coco en Shih Tzu, Kiki... 