Naakt geboren, zonder sigaret

Ik ben niet geboren met een sigaret in mijn mond. Alles in mij weet dat ik er nooit aan had moeten beginnen. Ik moet zeggen dat het me makkelijker afgaat dan ik had verwacht. Het zit ’m vooral in de gedachte — en in dat koppige besef — dat ik me roken simpelweg niet langer kan – én wil – veroorloven.

Ik voel me nu al helderder in mijn hoofd. That is: het lijkt alsof ik niet meer zo langzaam wordt aangetast door die klote rookwolken die mijn brein altijd continu bedwelmden. Want dat doen ze.

Ondertussen probeer ik mezelf af te leiden. Gek genoeg blijf ik hangen in die korte Facebookverhalen over het onrecht dat mensen – en meestal vrouwen – vroeger is aangedaan. Dat geeft mijn chagrijn tenminste wat voeding. En tijdverdrijf. Voor zolang dat verhaal duurt.

Ik adem tussentijds in, en adem dat ook weer uit, met bewustzijn. Het zijn van die korte momenten dat je beseft hoe je jezelf altijd hebt vergiftigd met dat roken.

Ondertussen, weet ik dat ik het ergste inmiddels achter de rug heb. De eerste 4 dagen ervaar ik altijd als om niet doorheen te komen, qua chagrijn. Als ik daar maar doorheen ben, dan gaat de zon weer een klein beetje schijnen. Ook voor mij.

Reflecties op 2025

Als iemand me in ’24 had voorspeld dat 2025 zo’n jaar zou worden, had ik hem waarschijnlijk keihard uitgelachen van ongeloof. Of was ik net zo hard weggerend. Hoe dan ook: ik heb het — opnieuw — overleefd. Iets waarvan ik nooit had gedacht dat ik het in me had, laat staan de kracht om het vol te houden.

Vijfentwintig begon ogenschijnlijk rustig. Mijn moeder en ik waren vooral opgelucht dat ons net geadopteerde hondje nauwelijks bang was voor het vuurwerk. Dat maakte Oudejaarsavond ineens een stuk aangenamer.

Januari verstreek, maar niet zonder signalen. Bij mijn moeder dienden zich de eerste sluipende tekenen van wat later “Alzheimer light” zou blijken aan. Ze kon dingen niet meer benoemen, keek me regelmatig aan met een vragende blik: “En… nu?” Altijd zoekend naar houvast. En als dat niet lukte, werd ze boos — soms bijna agressief. Dat was alarmerend. Hoewel we samen in een soort serene bubbel leefden, raakten haar stemmingen elke hoek van de kamer én mijn hoofd.

Ik belde uiteindelijk de huisarts, die direct schakelde met een crisismanager Alzheimer. Ik herinner me nog goed dat deze twee dames — arts en crisismanager — in februari bij Di Mamma op bezoek kwamen. Mijn moeder stond meteen op haar achterste benen. Er was niets aan de hand, vond ze. Ze was, ondanks haar doorgaans milde aard, ronduit obstinaat. Want nee hoor, haar mankeerde écht niets.

Tot maart. De crisismanager kwam opnieuw, ditmaal alleen; de arts was ziek, of onderweg om ziek te worden. Wel telefonisch bereikbaar. Zo kreeg mijn moeder, via de telefoon, de diagnose Alzheimer. Die middag wist ik nauwelijks hoe ik moest doorkomen. Mijn moeder was compleet ontredderd. Voor haar hoefde het leven niet meer.

Ze gaf vrijwel direct de moed op.
En eerlijk: probeer het je maar eens voor te stellen — zo te horen krijgen dat je definitief begint af te takelen, dat dit het begin van het einde is.

De vier maanden die volgden waren afgrijselijk. Ze schold me uit in termen die alle proporties te boven gingen. In haar hoofd had ze ineens drie kinderen: Jopie, mijn broer en ik. Vaak wist ze niet wie er tegenover haar zat. Meer dan eens stond ik op het punt om in tranen uit te barsten, of gewoon weg te lopen. De verhalen waren zelden mild.

Het enige lichtpuntje — en tegelijk mijn grootste angst — was de hond. Bang dat mijn moeder haar zou uitlaten en de weg naar huis niet meer zou vinden. Toch liet ik haar bij Di Mamma. Ze gaf troost en liefde, precies wat mijn moeder zo nodig had in deze zware tijd.

Eind juli kon ik niet meer. Ik was inmiddels dagen en nachten bij haar. En als ik wél thuis was, zat ik huilend te bedenken wat zich daar zou afspelen. Dan ging ik maar weer terug, om zeker te weten dat alles nog enigszins klopte. Volledig gesloopt heb ik — op doktersadvies nota bene — gedreigd mijn handen ervan af te trekken en het aan de buren over te laten, zodat het maar zou escaleren. Hoe ziek ben je dan zelf geworden?

Uiteindelijk waren er drie psychiaters nodig om een gedwongen opname te regelen in een tijdelijk crisiscentrum, waar gezocht zou worden naar een betere oplossing voor Di Mamma.

Binnen twee weken ontwikkelde mijn moeder daar een dubbele longontsteking. Funest voor haar astma. Er kwam vocht achter haar longen. Op doktersadvies — en zoals ze zelf zei in een helder moment, om haar leven nog een klein beetje te rekken, en voor mij — werd ze per ambulance naar het ziekenhuis gebracht.

Een week later stierf ze.
De donderdag daarvoor vroeg ze me in dat ziekenhuis eigenlijk om toestemming. Ze wist zelf al wat eraan zat te komen. Ze wachtte met sterven tot de dag ná de verjaardag van mijn ook inmiddels overleden broer.

De maanden die volgden was ik vooral een toonbeeld van wilskracht en stoerdoenerij. Alleen mijn huis wist beter.
Pas nu lukt het me voorzichtig weer orde op zaken te stellen, het hoofd te bieden aan de chaos waarin mijn leven was veranderd.

Mijn moeder zei het altijd al: “Blijf bezig. Doe je ding. Wees nuttig. Blijf niet hangen in je verdriet, maar wees ondernemend. Pak dat routine-ontwijkende gedrag van je eens definitief aan. Dat helpt je om dingen in perspectief te blijven zien.”

En zoals zo vaak had ze — hoe dan ook — weer gelijk.
Mijn grootste troost is dat ik haar zo goed kende, door en door bijna. Op dringende momenten hoor ik haar stem nog feilloos in mijn hoofd, precies wetend wat ze ervan zou vinden. Daar hoef ik geen gesprek meer voor te voeren. Ze is er dan gewoon.

Dat alleen al geeft me genoeg houvast om uit mijn eigen bubbel te stappen. En het te doen. Gewoon om dat het kán.

Goh, wie zei dat ook alweer? “Yes, you can!”



Tegenwind

Ongeveer vier jaar geleden zat ik muurvast in een egocentrische, donkere wolk. Mijn broer leek de blaaskanker niet te gaan overleven. Ik wist dat mijn moeder op een dag zou sterven. Mijn vader was al dertien jaar weg. En ergens diep vanbinnen voelde ik het al aankomen: ooit zou ik helemaal alleen komen te staan. Die gedachte joeg me destijds zoveel angst aan, dat ik niet eens zeker wist of ik dat zelf zou overleven.

Maar kijk waar we nu zijn, vier jaar later. Vaderlief, broerlief en moederlief lijken vanaf een zachte wolk naar beneden te gluren. Soms voel ik ze duwen in mijn rug. Soms, als ik om raad vraag, lijkt er een antwoord te komen. En dan vraag ik me altijd af: komt dat omdat ik ze zo door en door goed kende dat ik weet wat ze zouden zeggen? Of is er iets groters, iets dat een gedachte zachtjes mijn hoofd in schuift?

Vandaag las ik deze spreuk:

Wie de toekomst als tegenwind ervaart, loopt in de verkeerde richting.

En ineens sloeg die binnen als een schot. Want het is uiteindelijk je eigen angst, je eigen paniek, je eigen onzekerheid die van de toekomst een monster maakt. Vroeger vrat dat aan mijn ziel, mijn ego, zelfs mijn hart.

Maar nu? Nu sta ik als een rots.

Ik voel geen huiver meer voor wat komt. Integendeel: mijn nieuwsgierigheid maakt dat ik zelfs zin krijg in het onbekende. Er zijn nieuwe doelen, nieuwe plannen, nieuwe dromen. En ineens is het glashelder dat ik vooral aan mijzelf moet werken om vooruit te blijven gaan, zoals ik altijd heb gedaan.

En dus draai ik me om, zet mijn voeten stevig in het zand, kijk de toekomst recht in de ogen en denk:

Laat die tegenwind maar komen. Ik heb hem nodig om nóg harder te vliegen.