Als iemand me in ’24 had voorspeld dat 2025 zo’n jaar zou worden, had ik hem waarschijnlijk keihard uitgelachen van ongeloof. Of was ik net zo hard weggerend. Hoe dan ook: ik heb het — opnieuw — overleefd. Iets waarvan ik nooit had gedacht dat ik het in me had, laat staan de kracht om het vol te houden.
Vijfentwintig begon ogenschijnlijk rustig. Mijn moeder en ik waren vooral opgelucht dat ons net geadopteerde hondje nauwelijks bang was voor het vuurwerk. Dat maakte Oudejaarsavond ineens een stuk aangenamer.
Januari verstreek, maar niet zonder signalen. Bij mijn moeder dienden zich de eerste sluipende tekenen van wat later “Alzheimer light” zou blijken aan. Ze kon dingen niet meer benoemen, keek me regelmatig aan met een vragende blik: “En… nu?” Altijd zoekend naar houvast. En als dat niet lukte, werd ze boos — soms bijna agressief. Dat was alarmerend. Hoewel we samen in een soort serene bubbel leefden, raakten haar stemmingen elke hoek van de kamer én mijn hoofd.
Ik belde uiteindelijk de huisarts, die direct schakelde met een crisismanager Alzheimer. Ik herinner me nog goed dat deze twee dames — arts en crisismanager — in februari bij Di Mamma op bezoek kwamen. Mijn moeder stond meteen op haar achterste benen. Er was niets aan de hand, vond ze. Ze was, ondanks haar doorgaans milde aard, ronduit obstinaat. Want nee hoor, haar mankeerde écht niets.
Tot maart. De crisismanager kwam opnieuw, ditmaal alleen; de arts was ziek, of onderweg om ziek te worden. Wel telefonisch bereikbaar. Zo kreeg mijn moeder, via de telefoon, de diagnose Alzheimer. Die middag wist ik nauwelijks hoe ik moest doorkomen. Mijn moeder was compleet ontredderd. Voor haar hoefde het leven niet meer.
Ze gaf vrijwel direct de moed op.
En eerlijk: probeer het je maar eens voor te stellen — zo te horen krijgen dat je definitief begint af te takelen, dat dit het begin van het einde is.
De vier maanden die volgden waren afgrijselijk. Ze schold me uit in termen die alle proporties te boven gingen. In haar hoofd had ze ineens drie kinderen: Jopie, mijn broer en ik. Vaak wist ze niet wie er tegenover haar zat. Meer dan eens stond ik op het punt om in tranen uit te barsten, of gewoon weg te lopen. De verhalen waren zelden mild.
Het enige lichtpuntje — en tegelijk mijn grootste angst — was de hond. Bang dat mijn moeder haar zou uitlaten en de weg naar huis niet meer zou vinden. Toch liet ik haar bij Di Mamma. Ze gaf troost en liefde, precies wat mijn moeder zo nodig had in deze zware tijd.
Eind juli kon ik niet meer. Ik was inmiddels dagen en nachten bij haar. En als ik wél thuis was, zat ik huilend te bedenken wat zich daar zou afspelen. Dan ging ik maar weer terug, om zeker te weten dat alles nog enigszins klopte. Volledig gesloopt heb ik — op doktersadvies nota bene — gedreigd mijn handen ervan af te trekken en het aan de buren over te laten, zodat het maar zou escaleren. Hoe ziek ben je dan zelf geworden?
Uiteindelijk waren er drie psychiaters nodig om een gedwongen opname te regelen in een tijdelijk crisiscentrum, waar gezocht zou worden naar een betere oplossing voor Di Mamma.
Binnen twee weken ontwikkelde mijn moeder daar een dubbele longontsteking. Funest voor haar astma. Er kwam vocht achter haar longen. Op doktersadvies — en zoals ze zelf zei in een helder moment, om haar leven nog een klein beetje te rekken, en voor mij — werd ze per ambulance naar het ziekenhuis gebracht.
Een week later stierf ze.
De donderdag daarvoor vroeg ze me in dat ziekenhuis eigenlijk om toestemming. Ze wist zelf al wat eraan zat te komen. Ze wachtte met sterven tot de dag ná de verjaardag van mijn ook inmiddels overleden broer.
De maanden die volgden was ik vooral een toonbeeld van wilskracht en stoerdoenerij. Alleen mijn huis wist beter.
Pas nu lukt het me voorzichtig weer orde op zaken te stellen, het hoofd te bieden aan de chaos waarin mijn leven was veranderd.
Mijn moeder zei het altijd al: “Blijf bezig. Doe je ding. Wees nuttig. Blijf niet hangen in je verdriet, maar wees ondernemend. Pak dat routine-ontwijkende gedrag van je eens definitief aan. Dat helpt je om dingen in perspectief te blijven zien.”
En zoals zo vaak had ze — hoe dan ook — weer gelijk.
Mijn grootste troost is dat ik haar zo goed kende, door en door bijna. Op dringende momenten hoor ik haar stem nog feilloos in mijn hoofd, precies wetend wat ze ervan zou vinden. Daar hoef ik geen gesprek meer voor te voeren. Ze is er dan gewoon.
Dat alleen al geeft me genoeg houvast om uit mijn eigen bubbel te stappen. En het te doen. Gewoon om dat het kán.
Goh, wie zei dat ook alweer? “Yes, you can!”