On the dating scene… of toch maar niet? (Met Valentijn in aantocht)

Met Valentijnsdag in het vooruitzicht begint het weer te kriebelen. Niet romantisch kriebelen – meer zo’n lichte allergische reactie op rode hartjes, kortingsacties op chocolade en restaurants die ineens een “speciaal liefdesmenu” aanbieden voor twee. Voor twee. Alsof alleenstaanden op 14 februari automatisch in winterslaap gaan.

Soms – oké, vaker niet dan wel – twijfel ik dan toch even aan mijn glorieuze singlebestaan. De dating scene heeft me immers genoeg materiaal gegeven om een boek te schrijven. Een tragikomische bundel. Met hoofdstukken als: De Tong Zonder Waarschuwing en De Man Wiens Persoonlijkheid Offline Ging.

Ik herinner me dates waarbij ik op het eerste gezicht al bijna werd aangerand – hop, tong in mijn mond nog vóór ik “fijne kennismaking” kon zeggen. En dan die andere categorie: online charmant, gevat en verrassend intelligent… maar in het echt zo stil dat je de ober bijna hoorde denken: “Zal ik er nog een gesprek bij serveren?”

En dan heb je nog de heren die na één afspraak verwachtten dat ik feilloos de weg wist in hun keuken. “De pannen staan daar.” Alsof Valentijnsdag betekent dat ik spontaan promoveer tot persoonlijke chef én romantische decorateur. Pardon, ik kwam voor een glas wijn, niet voor een auditie als huishoudelijke upgrade.

Ook vriendinnen delen hun verhalen. Over mannen die niet alleen moeite hebben met hun emoties (EQ?), maar soms ook met basale logica (IQ?). Waarbij de vrouw dan de sprankelende factor moet zijn – de sfeermaker, de planner, de denker én de sociale antenne in één. Een soort Zwitsers zakmes in lingerie.

En toch… met Valentijnsdag voor de deur sluipt er altijd even een stemmetje naar binnen. Zou het niet gezellig zijn? Iemand die bloemen meebrengt. Die een tafel reserveert. Die begrijpt dat romantiek meer is dan “zullen we bij mij pizza bestellen?”

Maar dan kijk ik naar mijn rustige woonkamer. Mijn bed zonder accordeon-ademhaling naast me. Mijn vrijheid om op 14 februari gewoon sushi te bestellen, een goede film te kijken en mijn eigen favoriete mens te verwennen: mezelf.

Dus ja, on the dating scene?

Misschien. Ooit.

Maar deze Valentijn vier ik een stabiele, liefdevolle relatie.
Met iemand die me begrijpt, waardeert en nooit zijn sokken laat slingeren.

Ik dus. ❤️

Verwend? Of gewoon een beetje té gewend geraakt?

Nee, ik snap het helemaal. Echt waar. Je bent op huizenjacht. En dan gebeurt het: je ziet dat huis. Je hart maakt een sprongetje, je hoofd rekent alvast met gordijnen, planten en waar de bank moet staan. Het is liefde op het eerste gezicht — nou ja, bijna dan. Want er moet nog wel het een en ander gebeuren.

Dus je doet een bod. Je krijgt het huis. Hoera!
Maar ja… die vloer kan écht niet meer, hoewel het nog klokgaaf is. De keuken is duidelijk uit het tijdperk waarin mensen nog dachten het er nog wel even mee te kunnen doen. De badkamer en toilet zijn nog redelijk instapbaar, hoewel niet jouw eigen smaak.

Dus hup, aannemer erbij. Nieuwe vloer, nieuwe keuken mét bijkeuken (want zonder bijkeuken kun je tegenwoordig blijkbaar geen fatsoenlijk leven meer leiden), een frisse badkamer en vooruit — ook maar meteen een kakelnieuw toilet. Als je dan toch bezig bent.

En voor al die plannen klop je vol goede moed aan bij de bank voor een torenhoge hypotheek.

De bank kijkt.
De bank luistert.
De bank zucht zachtjes.

En zegt vervolgens: nee, doen we niet.

Verontwaardiging alom. Want hoezo niet? Iedereen wil toch een droomhuis? Iedereen verbouwt toch? En bovendien — je verdient het toch om mooi te wonen?

Maar ergens is het misschien ook een klein spiegelmomentje.

Want wanneer is “het huis naar je smaak maken” veranderd in “alles moet meteen perfect zijn”? Wanneer zijn we gaan geloven dat een woning pas leefbaar is als hij rechtstreeks uit een woonmagazine lijkt te zijn gewandeld? En al die mooie tv-programma’s dan? Zo hoort het toch?

Misschien — heel misschien — is dat oude keukenkastje nog prima voor een paar jaar. Misschien went die vloer sneller dan je denkt. En misschien heeft die badkamer alleen een plantje nodig en betere verlichting om ineens verrassend gezellig te worden.

Echt, mijn eigen badkamer dateert nog van jawel… 1981. Ik had geen geld, nog steeds niet. En het doet me niets, totdat daar het moment is dat het wél kán.

We lijken soms een beetje verwend. Niet omdat we luxe willen — dat is menselijk — maar omdat we vergeten dat een huis ook gewoon mag groeien. Net als wij.

Vroeger trokken mensen in een huis en dachten: mooi, een dak boven ons hoofd. 
Tegenwoordig denken we: mooi… maar waar laat ik mijn kookeiland van drie meter?

Dus ja, balen als de bank niet meegaat in je grootse plannen. Maar misschien is het ook een subtiele uitnodiging om het rustiger aan te doen. Om eerst te wonen, te ontdekken, te leven in plaats van meteen te perfectioneren.

En wie weet kom je er na een tijdje achter dat dat huis helemaal niet perfect hoeft te zijn.

Perfect is namelijk zwaar overschat.

Bovendien — een klein voordeel — als je niet alles tegelijk kunt verbouwen, houd je in elk geval nog geld over voor echt belangrijke zaken.

Zoals een belachelijk dure designlamp… die je vervolgens nooit aandoet omdat hij “meer voor de sfeer is.”

Dames, het wordt alleen maar beter!

Als jong meisje heb je geen idee wat je te wachten staat. Niet zozeer wat betreft de loop van je leven, maar vooral wat hormonen met je kunnen doen. Die hormonale schommelingen zijn voor iedereen anders – en gelukkig maar. Inmiddels ben ik 58 jaar en heb ik sinds kort het gevoel dat ik de zwaarste periodes achter me heb gelaten. En ik kan oprecht zeggen dat ik me nu prettiger voel en beter in mijn vel zit dan ooit tevoren.

Wat ik destijds enorm heb gemist, is begeleiding en steun tijdens de eerste hormonale fase: het begin van mijn menstruatie, die bij mij al op mijn elfde startte. Het was toen een groot taboe. Als elfjarige heb je geen flauw idee wat hormonen met je doen, hoe ze je soms volledig uit balans brengen en je op cruciale momenten in de steek laten. Toch werd het steevast weggewuifd met: “Ach joh, stel je niet aan.”

In mijn beste jaren had ik gerust een week PMS, gevolgd door de menstruatie zelf en daarna nog de nodige naweeën. Reken maar uit: drie van de vier weken per maand voelde ik me ziek of op z’n minst niet mezelf. En ondertussen dat knagende gevoel dat je er niet over mocht praten en je je nooit echt zeker voelde in je eigen lichaam.

Hetzelfde gold voor de menopauze, die bij mij al begon toen ik 41 was – ook vroeg. Maar goed, ik was waarschijnlijk altijd al wat vroegrijp, zowel als kind als later. Ook hier had ik geen enkel idee wat ik kon verwachten. Mijn moeder had het zwaar tijdens de menopauze, maar zij was rond haar veertigste geopereerd waarbij alles werd verwijderd. Dat was een heel ander verhaal, maar begeleiding of uitleg was er ook toen nauwelijks.

Nog steeds verzucht ik weleens rond half twaalf ’s ochtends dat ik me eindelijk goed voel. Al is mijn ochtendhumeur, dat ik al sinds mijn jeugd ken, weer in volle glorie teruggekeerd. Voor elf uur ’s ochtends kun je me dus beter niet aanspreken.

Wat ik misschien nog wel het meest jammer vind, is dat ik zo weinig houvast en leidraad heb gehad – zowel in mijn jeugd als in mijn volwassen leven. Waarschijnlijk is dat nog altijd het gevolg van een geneeskunde die grotendeels is gebaseerd op het mannelijk lichaam en de mannelijke gezondheid, en veel te weinig op die van vrouwen.

En misschien is dát wel de kern van het verhaal: dat het eerste écht goede boek over ons hormonale leven nog geschreven moet worden. Een boek dat niet wegwuift, niet relativeert en niet zegt dat we ons “niet moeten aanstellen”. Een boek dat vrouwen serieus neemt, van het elfjarige meisje tot de vrouw van bijna zestig. Tot die tijd blijven we onze verhalen delen, hardop en zonder schaamte. Want hoe meer we praten, hoe minder taboe er overblijft.

En geloof me, dames: het wordt niet alleen beter — het wordt eindelijk van ons.