Mijn moeder had astma. Tijdens haar zwangerschap van mij slikte ze zonder problemen haar schildkliermedicatie, terwijl dat tijdens haar eerdere zwangerschap sterk werd afgeraden. Toen ik werd geboren, was al meteen zichtbaar dat er iets niet klopte. Mijn schildklier was enorm opgezet; er was nauwelijks onderscheid te zien tussen mijn hoofd en mijn hals. Mijn moeder voelde intuïtief dat dit niet in orde was, maar de huisarts verzekerde haar dat het vanzelf binnen drie weken zou verdwijnen.
Ik heb daarna maanden in het ziekenhuis gelegen. En toen ik twee was, nogmaals een paar weken.
Mijn hele leven kamp ik al met gehoorverlies. KNO-artsen deden er niets mee zolang ik minderjarig was. Pas als volwassene – en zelfs pas ná een operatie aan mijn neustussenschot – werd het serieus genomen. Het advies was helder: ik moest gehoorapparaten. “Er gaat een wereld voor u open,” zei men.
Ik was 26. In één klap viel mijn droombeeld van mezelf uiteen. Ineens had ik een handicap. Ineens was ik afhankelijk van apparaatjes om “normaal” te functioneren. Natuurlijk was het goed dat er een oplossing bestond, maar dat gevoel van opluchting werd overschaduwd door schaamte. Het raakte mijn zelfvertrouwen hard — zo hard dat ik er nóg aan denk dat therapie misschien geen vreemd idee is.
Maar goed. Ook met gebroken trots moest ik verder. Dus liep ik op een dag de winkel van Beter Horen binnen. Ik doorstond de testen, de aanpassingen, het geduldige wachten… En na zes weken kreeg ik mijn apparaatjes.
En ja — er ging een wereld open. Ik hoorde ineens weer vogels fluiten. Een bus die voor een zebrapad remde, liet me stokstijf van schrik verstijven omdat het geluid zo onverwacht luid was. Alles was nieuw, scherp, aanwezig.
Die avond was er toevallig familie over de vloer. Terwijl ze gezellig zaten te kletsen, vroeg ik ineens of ze misschien wat zachter wilden praten. Ze keken me verward aan. Toen haalde ik mijn apparaatjes uit mijn oren en zei:
“Vanaf nu ga ik door het leven met buitenboordmotoren.”
Ze waren met stomheid geslagen. Ik had niemand iets verteld. Het hele traject had ik alleen doorstaan, omdat ík degene was die die stap moest zetten — niemand anders. Maar ze waren trots. Op mijn beslissing. Op mijn doorzettingsvermogen. Op het feit dat ik, ondanks alles, nog kon lachen.
En nu, jaren later, ben ik 58. De apparaten zijn er nog altijd, en het gevoel daarbij soms ook. Maar ik weet één ding zeker: die ene keuze, die ene stap, heeft mij de wereld teruggegeven. Niet precies zoals hij was, maar luid genoeg om er weer voluit in mee te doen.
En misschien… heel misschien… is dat óók iets om trots op te zijn.
0
Eigenlijk is een gehoorapparaat net zo’n hulpmiddel als een bril. Toch lijkt me de stap een stuk groter. Goed dat je het hebt gedaan!
@Ria: dat zie je goed, maar getuige de reacties van de overige mensheid, en voornl. werkgevers schuilt hier nog wel een kleine taboesfeer. :-/
Ik heb meerdere collega’s die aangenomen zijn met een hoorapparaat. Sommigen met kaalgeschoren hoofd, vol in het zicht, niets om je voor te schamen! Het stigma gaat er langzaam maar zeker vanaf, Irene.
@Hey die Paul… Hoe gaat het?
Wat fijn dat te horen, zeg… En we gaan gewoon doorrrrr met solliciteren (en ademhalen… ;- ))